Voor- en vroegschoolse educatie

Op de peuterspeelzaal kunnen kinderen van 2 tot 4 jaar spelen en leren.  Samen met leeftijdsgenootjes leren de kinderen samen spelen, delen en worden zij gestimuleerd in hun ontwikkeling.

De pedagogisch medewerkers zorgen ervoor dat alle kinderen zich veilig, geborgen en geaccepteerd voelen. De kinderen leren samen te spelen, rekening te houden met elkaar en leren conflicten op te lossen. Kinderen die samen spelen ontwikkelen vriendschappen. De pedagogisch medewerker heeft hierin een observerende, begeleidende, stimulerende of sturende rol.

De pedagogisch medewerkers van de peuterspeelzaal werken samen met de leerkrachten van de kleutergroep. Zij stemmen samen de thema’s waarmee gewerkt wordt op elkaar af. Op deze manier creëren zij een doorgaande lijn vanuit de peuterspeelzaal naar de basisschool.

Peuters bezoeken onze peuterspeelzaal op twee vaste koppeldagdelen per week. ‘Doelgroeppeuters’[1] met een VVE-indicatie van het centrum voor jeugd en gezin (CJG) komen vier keer per week.

Voor- en vroegschoolse educatie (VVE)

Pedagogisch medewerkers stimuleren kinderen spelenderwijs in hun ontwikkeling door middel van ontwikkelingsgerichte activiteiten. Dit gebeurt aan de hand van het VVE programma ‘Startblokken’.

Bij VVE-activiteiten staan steeds wisselende thema’s centraal, die passen bij de belevingswereld van kinderen. VVE-activiteiten zijn gericht op verschillende ontwikkelingsgebieden, zoals de fijne en grove motoriek, taalgevoel, rekenkundig en ruimtelijk inzicht en de sociale en creatieve ontwikkeling. Kinderen spelen met zand en water, rennen en klimmen, zingen en praten, tekenen, puzzelen, bouwen met blokken en spelen rollenspellen. De pedagogisch medewerkers richten themahoeken en verteltafels in. Doordat kinderen in een groep met elkaar leren spelen en delen, bouwen zij een voorsprong op in hun sociale ontwikkeling. Daar hebben zij de rest van hun leven profijt van.

Als onderdeel van het VVE-programma, observeren de pedagogisch medewerkers kinderen in hun ontwikkeling, zodat zij gericht activiteiten en spel- en ontwikkelingsmaterialen kunnen aanbieden. Zij gebruiken hierbij de observatiemethode ‘KIJK’. De individuele ontwikkeling van kinderen van 2 tot 4 jaar wordt gevolgd op het gebied van o.a. spraak- en taalontwikkeling, motoriek, spelontwikkeling, zelfredzaamheid, de omgang met andere kinderen en cognitieve ontwikkeling. De KIJK-observatie van ieder kind wordt jaarlijks ingevuld, drie maanden na aanvang van de plaatsing, en rond de leeftijd van 3 en 4 jaar. De KIJK-observatie van doelgroepkinderen wordt tweemaal per jaar ingevuld. De pedagogisch medewerkers bespreken hun bevindingen in het ‘Kind in Beeld-gesprek’ met ouders.

De schriftelijke of persoonlijke overdracht van de KIJK-observatie aan de basisschool vindt plaats voordat het kind vier jaar wordt. Voor kinderen die binnen het kindcentrum blijven is dit altijd een persoonlijke overdracht. Voor kinderen die naar andere scholen gaan is dit in overleg met ouders en de ontvangende school.

[1] Kinderen waarvan ouders minder dan 2 jaar voortgezet onderwijs hebben genoten of die thuis overwegend met een andere taal dan het Nederlands in aanraking komen of kinderen die door het consultatiebureau zijn aangemerkt als ‘doelgroepkind’.